Alleen het allerbeste is goed genoeg om aan te houden. We kweken jaarlijks te veel duiven die het simpelweg niet in zich hebben. Ik haal ook elk jaar wel iets bij, niet omdat ik duiven tekortkom, maar omdat ik altijd op zoek ben naar uitzonderlijke kwaliteit.

Of je nu een klein hok hebt of een megahok, overal zitten te veel gewone duiven en te weinig echte toppers. Hier is dat niet anders.

In de jaren dat ik mijn aardbeienbedrijf had, wilde ik in de wintermaanden nooit meer dan zestig duiven houden: twaalf kweekkoppels en achttien vliegkoppels. Dat waren hard geselecteerde duiven.

In 2002 had ik bij de prijsuitreiking van de Gouden Cracks Jong, in een propvolle Bosbadhal, haast alle asduiven jong.

In 2006, mijn laatste jaar op het adres van mijn schoonvader, werden we in Brabant 2000, met toen nog ruim 3.500 leden, 1e, 2e, 6e, 8e en 11e asduif jong. De 1e asduif werd Rocketeer, de 2e asduif Super Girl. Ik koppelde deze twee onderling en daaruit werd Cannonball geboren. Als jong vloog hij direct top en behaalde hij onder meer een top-10-notering Nationaal Orléans.

Uit Cannonball kweekte ik later Cannonball Boy, die de snelste Nationaal Orléans won tegen 60.000 duiven.

Topduiven herken je vroeg

Uit diezelfde Rocketeer kwam ook Blue Rocket. Hij won dat jaar de 4e Nationaal/NPO Orléans en werd 3e Gouden Crack. Later gaf hij de 1e NPO Orléans bij A. Smits en werd hij ook vader van Millennium, de duivin van het Millennium-koppel.

Millennium werd vervolgens moeder van Avatar, die de 1e NPO won bij Jan in afdeling 11 en vader en grootvader werd van meerdere 1e NPO-winnaars. Ook Olympic Millennium, 1e en 2e Nationaal Asduif en Olympiadeduif, kwam uit het Millennium-koppel.

In die jaren gingen de echte topjongen direct naar de kweek. We vlogen toen nog Orléans (445 km), Bourges (520 km) en Châteauroux (567 km). De jongen die toen uitblonken, zoals Rocketeer, Super Girl, Cannonball en Blue Rocket, bleven ook later goede duiven en bewezen dat bovendien over meerdere generaties.

Louis Stabel won bijvoorbeeld in 2010 de 3e Nationaal Orléans met Esmee en bracht haar direct naar de kweek. Rond die duivin bouwde hij vervolgens een hok met uitstekende duiven op.

De echte asduiven

Naar mijn mening zijn we te soft geworden, zowel wat lossingen als afstanden betreft. Daardoor hebben we de laatste jaren een generatie duiven gekweekt die steeds minder aankan, met grote verliezen als gevolg.

Tot vorig jaar hadden we in Brabant 2000 nog een asduifkampioenschap jong over alle vluchten. Dat zijn in mijn ogen de echte asduiven: duiven die er van begin tot eind staan, vroeg vliegen van kortbij én van veraf, onder alle omstandigheden.

Dat zijn precies de duiven waar ik naar zoek en waarop je een hok kunt bouwen. Gelukkig zijn die tussenstanden nog terug te vinden op Compuclub.

In afdeling Zuidwest werden we dit seizoen 1e, 2e, 10e en 16e asduif jong, en in vlieggebied Geel 1e, 2e, 4e, 5e, 7e, 9e, 11e, 15e, 16e, 19e en 20e asduif jong. Dat zijn voor mij de allerbeste jongen van dit jaar.

Jammer genoeg kent afdeling Zuidwest wel een generaal asduifkampioenschap oud, maar geen generaal asduifkampioenschap jong.

Zo had het wat mij betreft ook bij de nationale kampioenschappen moeten zijn: alle vluchten laten tellen en de echte asduiven naar voren halen. Niet zoals bij sommige kampioenschappen waar drie goede prijzen al voldoende zijn. En al helemaal niet wanneer nalijnprijzen meetellen terwijl er ook oude duiven deelnemen. Dan kun je moeilijk nog spreken van een asduifkampioenschap voor jonge duiven.

Bouwstenen voor 2027

Dit was een uitstekende lichting jonge duiven, vergelijkbaar met de jaren 2002, 2006, 2010, 2011, 2012, 2017, 2020 en 2022. Zo’n generatie heb je eens in de zoveel jaar nodig om op hoog niveau te kunnen blijven presteren en om materiaal voor de kweek te selecteren.

Waar het precies aan ligt dat je af en toe zo’n uitzonderlijke lichting kweekt, weet ik jammer genoeg niet. Dat het veel belooft voor het seizoen 2027 weet ik echter vrijwel zeker.

Op mijn eigen hok zijn topjongen vaak ook topjaarlingen geworden. Natuurlijk verspeel je er onderweg enkele, maar B-klasse jongen worden hier zelden A-klasse jaarlingen. Als jong zijn ze immers al zwaar getest en hebben ze hun kaarten op tafel moeten leggen.

Dragon Girl werd als jong al 2e Gouden Crack en won daarna nog zes keer top 10 NPO. Haar dochter Olympic Dragon werd als jong 3e Gouden Crack en won als jaarling zeven keer top 10 NPO. Daarnaast werd ze 1e Nationaal Asduif en Olympiadeduif.

Turbo Dragon, een dochter van Olympic Dragon, won als jong een 8e NPO. Dit jaar won ze de 4e prijs in afdeling Zuidwest van Châteaudun. Haar dochter Blue Turbo Dragon werd 2e Generaal Asduif in afdeling Zuidwest, 3e asduif snelheid en won bovendien de 11e prijs in afdeling Zuidwest van Toury.

Je kunt bijna met zekerheid zeggen dat zij volgend jaar een keer top 10 in de afdeling gaat winnen.

Turbo Dragon zelf was dit jaar jaarling en komt niet meer in actie. Zij mag haar kunsten nu op de kweek laten zien, met Blue Turbo Dragon en haar nestligger als eerste wapenfeiten.

Geen geheimen in de verzorging

Wat voeding en bijproducten betreft heb ik een vast systeem dat hier al vaak genoeg beschreven is. Daar wijk ik niet van af en daardoor kan ik daar onmogelijk fouten in maken.

Ik verwarm de hokken niet. Ze zijn geïsoleerd, maar tegelijk open met gaas. Ik kan slecht tegen stof, dus voor de duiven lijkt me dat ook niet ideaal.

Ik ben goed voor mijn duiven en hou niet van overbevolking. Het ontbreekt ze aan niets, maar voor de rest worden ze hier afgehard. Wie daar niet tegen kan, ziet zijn verblijfsvergunning niet verlengd worden.

Rustige periode en verjonging in de kweek

De laatste tijd heb ik toch best wat bezoekers gehad, maar nu breekt de rustigere periode aan. De kwekers zijn weer supermooi aan het worden; ik had ze vorig jaar al stevig verjongd met zomerjong doffers uit de beste lijnen.

Dit jaar is er wat samen gekweekt en zijn enkele duiven aangeschaft, maar deze gaan zo goed als allemaal naar een ander adres. Daar mogen de mooiste exemplaren worden getest. Mocht er een super boven komen drijven, dan kan hij altijd nog terug naar hier.

De sterke lijnen blijven de basis

Zo zitten er nog vijf rechtstreekse zonen uit het Millennium‑koppel die al super gekweekt hebben; hier zullen volgend jaar de meeste jongen uit komen. Het blijven nou eenmaal — samen met Blue Witbuik en de broer en halfbroer van Olympic Dragon — mijn beste kweekdoffers: duiven die het van kort kunnen, maar ook van de lange taaie vluchten.

Daarnaast heb ik diverse kinderen van Olympic Dragon naar de kweek gebracht. Enkele hebben top gevlogen als jong, en enkele zijn nog nooit in de mand geweest.

De kwekers voelen superzacht aan; de dagelijkse Origanum Red en de vetrijke Champions-/NPO‑mix zorgen daarvoor. Duiven moeten te allen tijde goed gepluimd zijn. Ik had laatst enkele topliefhebbers uit Polen op bezoek, en hen viel de mooie pluim ook direct op.

Kwaliteit boven massa

Ik speel al meer dan 30 jaar op het hoogste niveau en doe dat niet als massa‑inkorver, maar gewoon met kwaliteit. Als je die bezit, heb je geen massa nodig om je te meten met de beste. Vandaar dat de weinige jongen die ik wegdoe het bij anderen ook vaak goed doen.

Ik word vaak gemaild of gebeld om bonnen, maar dit jaar schenk ik er geen. Ik heb het een en ander meegemaakt tijdens de laatste vluchten en ben in heel wat mensen mijn vertrouwen verloren. In de vereniging zal ik wél een mooie schenking doen — zij stonden die gehele vervelende periode achter mij, vooral het bestuur. Ik werd ook belangeloos bijgestaan door iemand die ik totaal niet kende; ook die ga ik daar goed voor belonen.

Gedachten over vlieggebieden en toekomst

Wij spelen in Vlieggebied Geel, dat opgesplitst is in A en B. Bij de opsplitsing is geen kampioenschapsstelsel, en in Vlieggebied Geel wel, maar ik verwacht niet dat er een prijsuitreiking komt — ik zou eerlijk gezegd niet weten waar ze het van moeten betalen. Dus zal het bij een papieren vlieggebied blijven, verwacht ik.

Voor de nationale kampioenschapsberekening was het mijns inziens beter en eerlijker om het aantal duiven per vlucht af te knotten op het landelijk gemiddelde ingekorfde duiven dat weekend.

Mijns inziens kan afdeling Zuidwest, om alles aantrekkelijk te houden, beter werken met een Oost‑ en West‑uitslag:

  • Zeeland en Goeree‑Overflakkee in West,
  • het oude Brabant 2000 en de Hoekse Waard in Oost.

 

Daarbij aparte losplaatsen tot 400 km, en voor alle vluchten boven de 400 km de gehele afdeling Zuidwest van dezelfde losplaats. Voor de rest alle vlieggebieden ertussenuit.

Dat scheelt een boel rompslomp, de duiven hebben een eerlijkere trek, en men kan dan twee aparte avonden voor de kampioenhuldigingen houden: één voor Oost, één voor West, en een aparte voor de gehele afdeling Zuidwest. Nu ziet men op Compuclub de bomen niet door het bos met al die versnipperde uitslagen.

Althans, dat is mijn gedachtegang erover. Er zijn nog heel wat jongere liefhebbers die ook een toekomst in de duivensport willen behouden. Ik hou me in 2027 vooral bezig met het pakken van vroege duiven op de vluchten die mijn interesse hebben, en zodoende het plezier in de duivensport voor mezelf te behouden.

De basis voor een sterk jaar

Nu worden de prijzen verdiend en moet men de duiven op en top verzorgen. Voldoende vetten en roodsteen zijn erg belangrijk in de rui — laat nu beiden terug te vinden zijn in de NPO‑mix en onze mineralenemmer. In de wintermaanden lijkt het bij veel liefhebbers niet veel meer te mogen kosten, maar juist die rui‑maanden zijn erg belangrijk voor een succesvol jaar.

Beter is het om minder duiven te houden met perfecte verzorging, dan een hok vol prullen met slechte verzorging. Dat is de enige weg naar succes.

Vasthouden aan een systeem

De meeste fouten liggen bij de liefhebber zelf: elk nieuwtje uitproberen, het ene jaar zo, het andere jaar weer helemaal anders. Hou vast aan een systeem — de kunst is om daar niet van af te wijken, ook al lopen de vluchten in het begin niet zoals je wil. Dat komt vanzelf als je een vast ritueel in de verzorging aanhoudt.

Duiven hebben behoefte aan regelmaat: in training, verzorging, maar zeker ook in voeding. Daarbij is het de kunst om niet te veel naar de duiven te kijken. Er zit er altijd wel eens eentje iets ruller dan de andere, of de mest is bij die ene net wat anders van kleur of vastheid. Mensen raken te snel in paniek en dan moet er van alles in de drinkpot — en juist dan ben je verkeerd bezig.

Weerstand opbouwen en de medicijnkast dicht

Ik houd me al jaren vast aan mijn eigen bijproducten om een betere weerstand te verkrijgen en om de medicijnkast zoveel mogelijk dicht te houden, zeker buiten het vliegseizoen. In het vliegseizoen kan je beter zo nu en dan een dag of anderhalf ontsmetten na de vlucht; de duiven komen dan met andere in aanraking.

Ik geloof niet in al die verhalen van liefhebbers die in het vliegseizoen alleen graan en water geven — vaak zijn dat hokken met commerciële bedoelingen. Als iedereen om je heen de griep heeft, ontkom je er zelf vaak ook niet aan, en met duiven is dat net zo.

Drinken er duiven die besmet zijn met tricho uit een drinkgoot, en jouw gezonde duiven ook, dan krijg je vroeg of laat een probleem als je niet ontsmet. En geloof mij: als een kuur van twee dagen niet voldoende is om te herstellen, is de kuur niets waard. Ik geloof niet in langere kuren, met uitzondering van paratyfus.

Zo komt er heel wat salmonella voor in de reismanden. Komt daar voer in terecht en jouw gezonde duiven pikken het op, dan word je binnen enkele jaren geconfronteerd met paratyfus als je daar in het najaar niet tegen kuurt en vaccineert.

Wormen of coccidiose hebben mijn duiven eigenlijk nooit. Ik laat elk jaar preventief de mest onderzoeken — voor de kweek en voor het vliegseizoen — maar ze vonden dat nog nooit. En ik denk dat een goede hygiëne daar aan meehelpt.

De rui

De verduisterde jongen gaan hier altijd vanaf begin oktober pas echt los met ruien; de veren en pennen vliegen eruit. Ik ondersteun ze om de dag met Sedochol of Naturaline, alle dagen Origanum Red over de Champions-/NPO‑mix, een schep uit de mineralenemmer, en twee keer per week een schep Prestavit.

Op de eenmalige trichotablet, de paratyfuskuur en de entingen tegen paratyfus en paramyxo na zien de duiven geen medicatie in de wintermaanden. Zoals gezegd komen ze zo vaak mogelijk los en staan de hokken de gehele dag open — goed voor de weerstand. Daarnaast kan ik slecht tegen duivenstof, dus alles staat open en bij de jongen en kwekers draait een goede afzuiging.

Aanpassingen door rugklachten

Momenteel zit ik weer te sukkelen met mijn rug, en dat is nou eenmaal meerdere keren per jaar zo, vooral wanneer het slechtere weer aanbreekt. Ik heb alle hokken daarop aangepast: alle vloeren kan ik met een krabber aan een stok zuiver maken, en alles kan ik vanaf de loods verzorgen — ik hoef niet eens naar buiten. Bij alle kwekers en vliegers liggen mestbanden, wat voor mij een enorme uitkomst is.

Zo heb ik al zolang ik duiven heb de stelregel dat ik baas op het hok ben en niet de duiven. Ze moeten zich aan mij aanpassen en niet andersom. Ik ga er wel wat minder houden vanwege de rugklachten. De meeste samenkweekduiven gaan verhuizen; komt daar een kweker boven drijven, dan kan hij altijd nog naar hier. Zelf heb ik drie topjaarlingen naar de kweek gezet.

Alle vluchten mee — de mand beslist

Wat de goede zijn, laat ik aan de mand over. Moesten we alleen de allerbeste houden, dan zaten er niet meer dan een 20‑tal. Mijn manier van spelen is dat de duiven alle vluchten mee moeten, alle afstanden, alle wind en weersinvloeden.

De Rocket/Millennium‑lijn en Witbuik/Super Rossi‑lijn lieten zien dat ze dat kunnen — niet alleen hier, maar ook op andere hokken. De 8e Nationaal Asduif in België dit jaar bijvoorbeeld, van Esther Vereecke, komt uit een duif die voor 50% Embregts‑Theunis is.

Ik volg vaak de totale verkopingen: als er op de meeste hokken tien goede duiven te koop worden aangeboden met goede prestaties, dan is het vaak op — dat zegt genoeg. We zijn allemaal afhankelijk van een paar uitzonderlijke duiven. Duiven bijhalen is moeilijk; we kweken een boel rommel op een jaar, en dat is op andere hokken net zo.

Verder boeit het me niet zo wat er allemaal speelt rond dat inkorfbeperkingsverhaal. Wij zitten bijvoorbeeld in een redelijk grote vereniging: ik speelde met een goede 50 duiven de laatste vier vluchten, en er deden maar vier liefhebbers meer mee. De rest ging naar de nalijn — en dat is hun keuze. Iedereen beoefent de duivensport nou eenmaal op zijn eigen manier.

Een zwaar jaar 

2026 was voor de meesten een moeilijk jaar: zware omstandigheden wat het weer betreft en her en der verliezen. Ook hier ontkwam ik niet aan verliezen, zowel bij de oude als bij de jongen.

Bij de duiven die we verloren zitten twee categorieën: topduiven — vermoedelijk gepakt of dodelijk gewond geraakt — en duiven die het echt niet kunnen. Jongen terughalen doe ik zelden, tenzij ze als pieper verschrokken zijn door een roofvogel. Meestal laat ik die gewoon houden. Vroeger heb ik er heel wat teruggehaald, een extra knijpring omgedaan, maar uiteindelijk raakten ze toch weer verloren.

Er zijn altijd gevallen waarbij een teruggehaalde duif alsnog uitgroeit tot een topper, maar voor mij blijft het een uitzondering.

Selecteren en per‑100‑tal vliegen

Dit jaar heb ik de jongen wekelijks geselecteerd: duiven waar ik niets in zag, werden verwijderd. De laatste vlucht had ik er nog 45 mee, waarvan er 40 goed voldaan hadden. De rest was tussentijds verwijderd of verspeeld.

Vier stuks verloor ik op de laatste vlucht; enkele zijn alsnog verwijderd en enkele zijn aan huis weggegaan — zelfs jongen die per‑100‑tal gevlogen hadden. Dat per‑100‑tal vliegen vind ik eigenlijk een norm om een jaar verder te mogen.

Die per‑100‑tal vliegers zijn de duiven die kop kunnen vliegen. Een prijsvlieger blijft hier doorgaans een prijsvlieger, al kan die in de kweek soms vele malen beter zijn dan een topvlieger — ook dat heb ik vaker ondervonden.

Dat per‑100‑tal vliegen wordt hier steeds moeilijker, omdat er in het eerste spel boven de vereniging Geel A nog amper 1000 duiven weggaan. Daarom kunnen wij ook haast nooit meer bij de nationale kampioenen komen. Wil men dat eerlijk krijgen, zouden ze het aantal duiven in de berekening beter op 1500 afknotten.

Allround duiven

Hier gaan de oude en jongen alle vluchten mee, in alle omstandigheden. Thuis houden voor het weer ken ik niet. De duiven die uiteindelijk overschieten zijn de doordouwers, en die heb ik juist nodig.

Duiven die afstandsgeschikt zijn — dus alleen maar tot een bepaald aantal kilometers kunnen presteren — of die alleen met een bepaalde wind vallen, verdwijnen hier vanzelf. Heel vaak had ik vitesse‑duifkampioenen of 1e prijswinnaars, zowel bij de jongen als bij de oude, die later in het seizoen gewoon achterbleven omdat ze die omstandigheden niet aankonden.

In het verleden haalde ik vaak specifieke dagfondduiven bij. Op vitesse en midfond haalden ze geen prijs, en op de dagfond werden ze alsnog voorbijgevlogen door de eigen duiven. Daarom moeten de duiven hier zowel op snelheid als op dagfond presteren. In België is dat anders — daar kan men elke week snelheid spelen.

Dagfond kunnen onze duiven erg goed, alleen speel ik er vaak niet de allerbeste op als er ook nog midfond gespeeld wordt.

Zoals gezegd wil ik er minder gaan houden. In het begin van het seizoen wel een wat grotere ploeg jongen, omdat daar de meeste verliezen zitten, maar daarna elke week terugschroeven naar een goede 45 voor de vluchten boven de 300 km.

Rui, kuur en winterroutine

De duiven hebben inmiddels de paratyfuskuur en vaccinatie achter de rug. De definitieve eindselectie gebeurt hier na de rui.

De duiven komen de gehele winter los, als het weer het toelaat. Ik had de laatste jaren teveel last van scheefvliegers, vaak de beste jongen van het jaar ervoor. Alle dagen los in de winter kost altijd duiven, maar dat heb ik ervoor over — vandaar dat de eindselectie iets later is.

Voor de rest is het vrij simpel: totdat er jongen in de nest liggen alles eenmaal per dag zuiver maken, voeren en drinken geven — en dat laatste zelfs per twee dagen.

De mengeling is de Champions/NPO‑mix. Wat eerst 3 om 1 was, is vanaf nu met het inpluimen 3,5 zak Championsmix om 1 zak NPO‑mix. Daarbij alle dagen een schrale soeplepel Origanum Red, een schep uit de mineralenemmer, en twee keer per week Prestavit, eventueel gemengd met Octavit. Tenslotte eenmaal per week een bad met een paar druppels chloor erin.

Zo herinner ik me nog begin jaren ’90 dat Henk de Weerd op bezoek was met zijn kinderen om te vaccineren op zondag. De duiven hingen tegen het gaas, waarop Henk zei: “Krijgen die geen eten?” Ik zei: “Jawel, straks — eenmaal daags.”

Dus wat dat betreft ben ik redelijk standvastig en verander ik niet snel van systeem. En dan hou je het het langste vol. Vandaar dat hier al 36 jaar hard gespeeld wordt met de jongen, en nadat ik gestopt ben met de aardbeien ook met de oude.