Beweging houdt duiven fit

Beweging is goed voor mens en dier. Vroeger was ik er ook voor om de duiven in de winter vast te houden, al was dat vaak uit gemakzucht. Nu mogen ze, zoals gezegd, bijna elke dag even vliegen. Uitgevlogen is dan ook direct naar binnen. Duiven laten slenteren op het dak is vragen om roofvogels. Op deze manier blijven ze fit en behouden ze hun opgebouwde spierkracht.

Dat verschil in spiermassa kun je overigens goed voelen wanneer je de vliegduiven in de hand neemt en vergelijkt met kwekers die niet loskomen. Alle duiven, zowel vlieg- als kweekduiven, zitten dag en nacht wel achter een gaasfront. Dat afharden doe ik al jaren.

Duiven die hier niet tegen kunnen, worden verwijderd. Onlangs nog een zomerjong en een oude duivin; ze snotterden een beetje en dan is het hier vertrekken. Ik ga zelden met individuele duiven naar een dierenarts. Ik ben zelf de geneesheer en wat niet gezond blijft, kan vertrekken.

In het najaar en de winter komen de duiven niet met andere duiven in contact, dus mogen ze eigenlijk niet ziek worden. Worden ze wel ziek in of vlak na de rui en krijgen ze zware tricho of difterie, dan is paratyfus vaak de onderliggende oorzaak.

Voeding en conditie

Ik heb ook een hekel aan vette duiven. Soms krijg je ze ergens in handen wanneer je op bezoek bent. Sommige lijken wel echte kiloknallers. Met zulke duiven beginnen kweken is wat mij betreft al gelijk met achterstand vertrekken.

Duiven worden niet vet van voer, maar van te veel voer. Geef ze maar onbeperkt gerst en ze wegen uiteindelijk ook twee kilo per stuk. Gerst krijgen ze hier nooit. Ik maak dagelijks een mengsel van drie delen Championsmix, één deel NPO-mix en één deel uit de mineralenemmer. Daar gaat een soeplepel Origanum Red overheen, tweemaal per week Prestavit, eenmaal per week het roze poeder van Mariën en dagelijks een halve schep gemengde grit.

Dat meng ik goed door elkaar en daarvan krijgen ze eenmaal daags een stenen pikpot per tien duiven. Dat is ruim voldoende om perfect door de rui te komen en mooi op gewicht te blijven. Alleen wanneer het echt vriest, krijgen ze iets meer.

Een slechte pen die een duif heeft gezet na een verwonding kun je, wanneer de rui ver gevorderd is, gerust trekken. Meestal komt die dan netjes terug. Een slechte broekpen hoef je echter niet te trekken. Zulke duiven hebben vaak boven hun kunnen gevlogen en die broekpen blijft meestal ieder jaar opnieuw slecht terugkomen.

Niet iedere duif is geschikt voor alles

Elke duif kan in principe de dagfond aan. Dat is een kwestie van training en voeding. Maar dat wil nog niet zeggen dat iedere duif ook geschikt is voor die afstanden. De meeste blijven uiteindelijk gewoon achter of zetten in het najaar, na een zware vlucht, een slechte broekpen.

Zelf zie ik graag een mooie, goed in de hand liggende duif met een zachte pluim en stevige, bijna gesloten stuitbeentjes. Ik hou niet van die extreem korte borstbenen. Maar ook dat alles samen wil nog niet zeggen dat je automatisch met een goede duif te maken hebt.

Een duif moet beschikken over een sterk genetisch pakket, met kwaliteit in ouders, grootouders en overgrootouders. En zelfs dan zitten er nog altijd meer tussen die het niet kunnen dan die het wel kunnen.

Zo heb ik al heel wat goed gebouwde zomerjongen uit topkoppels gehad die later erg goed bleken te kweken. Maar ik heb ook genoeg uitstekend presterende vliegers gehad die zelf nauwelijks iets voortbrachten. Sommige daarvan deden dat vervolgens weer wel in de tweede generatie.

Een duif moet bij het soort passen

Van vrienden kreeg ik in het verleden regelmatig goedbedoeld duiven uit hun allerbeste kwekers. Sommige ervan gaf ik korte tijd later alweer terug, terwijl er niet eens mee gekweekt was.

Wanneer zulke duiven direct opvallen tussen de eigen stamduiven, dan passen ze daar vaak simpelweg niet tussen. In dat geval kun je jezelf beter de moeite besparen om ermee verder te gaan. In veel gevallen wordt het niets en heb je uiteindelijk ook niets meer van de eigen duif die je ertegen had gezet.

Plannen maken voor 2027

Iedereen zou plannen moeten smeden voor het nieuwe seizoen, want dat houdt je fanatiek. Als je het allemaal wel gelooft in de duivensport, dan wordt 2027 zeker geen succes.

In afdeling Zuidwest zou men gaan evalueren en dat is inmiddels ook gebeurd. Persoonlijk denk ik echter dat uiteindelijk alles bij het oude blijft.

Een Oost- en Westuitslag als oplossing?

In het kader van meedenken zou het misschien beter zijn om de spelvreugde bij veel liefhebbers te vergroten door een Oost- en Westuitslag te maken. Zoiets stelt voor Compuclub weinig voor en lost het veel te brede spel eenvoudig op. Dat kan gewoon een papieren uitslag zijn, maar dan ben je veel minder afhankelijk van de windinvloeden, zoals dit jaar wel duidelijk is gebleken.

Men kan daarbij gewoon vanuit dezelfde losplaats en op hetzelfde tijdstip lossen, maar de oostelijk gelegen hokken (Brabant 2000 en de Hoekse Waard) krijgen dan een aparte uitslag ten opzichte van de westelijk gelegen hokken (Zeeland en Goeree-Overflakkee). Natuurlijk blijft daarnaast ook de gezamenlijke uitslag bestaan, zoals we die dit jaar kenden.

Nu knipt men de vlieggebieden op in A en B, wat tot nog meer versnippering leidt en waar je verder weinig mee kunt. Zou men het doen zoals ik het voor ogen heb, dan krijg je een mooi aantal duiven in zowel de Oost- als de Westuitslag en heb je daar als organisatie niet eens een apart bestuur voor nodig. Het is immers, net als de huidige A- en B-uitslagen, gewoon een papieren uitslag. Het verschil is dat je speelt tegen een veel groter aantal duiven, wat de waarde van de uitslag en de aantrekkelijkheid van de sport alleen maar vergroot.

Windinvloed eerlijker verdelen

Nu kun je in Geel de 1e winnen met de wind tegen en toch niet eens bij de eerste honderd van afdeling Zuidwest staan. Met een gesplitste Oost- en Westuitslag kun je ondanks een ongunstige wind toch nog vooraan spelen tegen een groot aantal duiven.

In mijn ogen noem je zoiets de duivensport toekomstbestendig houden.

Dit jaar zagen we een wat meer oostelijke wind in het voorjaar en de zomer. Daardoor bleef de trek van de duiven meer vanuit het westen komen, waardoor de westelijk gelegen hokken duidelijk de beste waren.

Leren van het verleden

Toch vraag ik me wel eens af hoe men gaat reageren wanneer we weer eens een echte Hollandse lente en zomer krijgen, met hoofdzakelijk westenwind en een trek vanuit het oosten. De wat oudere liefhebbers onder ons weten uit de tijd van het vroegere ZNB precies waar ik het over heb.

Bezoek onder vrienden

Afgelopen week ben ik nog even met Jan bij Oliver op bezoek geweest. Daarna zijn we met z’n allen doorgereden naar Davy Tournelle. Een lange dag, vooral voor Jan, die daarna nog helemaal terug moest naar Friesland. Toch was het leuk om als vrienden onder elkaar weer eens wat bij te praten.

Ook ben ik begonnen met het inpakken van de broedschotels met oude kranten. Ik doe er dagelijks een stuk of dertig en pak alle schalen in die ik heb. Kapotte schotels gaan direct weg. Vuil worden ze hier nooit echt, maar na het seizoen laat ik ze wel een week in een bak met water en chloor weken, zodat alles weer fris is voordat ze opnieuw worden ingepakt.

Vorig jaar legde ik er nog nestmatjes in, maar dat doe ik nu niet meer. Ik strooi gewoon een pikpotje vol schelpenzand in de ingepakte schotel en daar moeten ze het maar mee doen. Dus geen tabakstelen, stro of nestmatjes meer. Dat stro ligt er binnen de kortste keren weer uit en van tabakstelen krijg je vaak kromme borstbenen of gebutste eitjes.

Schelpenzand en Stopmite

Wat ik sinds dit jaar wel doe: op zes stenen pikpotjes schelpenzand meng ik een volle soeplepel Stopmite. Van dit mengsel gaat vervolgens één stenen pikpotje in iedere broedschotel. Het ruikt lekker fris en het zand houdt de kranten op hun plaats. Bovendien zorgt het ervoor dat de eitjes heel blijven bij een eventuele verkeerd vlieger.

Overigens gaat er ook iedere dag een paar handjes van dit mengsel over de bodem van het hok nadat ik die heb schoongemaakt. De mest kleeft dan niet aan de vloer en alles blijft dagelijks fris. Bovendien blijven de pootjes van de duiven mooi schoon.

Hier zitten inmiddels nog ongeveer honderd duiven op een hok waar met gemak het dubbele aantal kan huizen. Maar zoals gezegd heb ik een hekel aan overbevolking, zowel op het kweekhok als op het vlieghok.

Kweek volgens een vast systeem

Ik houd 24 kweekkoppels en geen enkel voedsterkoppel meer. Duiven waar ik niet uit wil kweken, horen wat mij betreft niet op het kweekhok thuis.

Begin december koppel ik de duiven. Ieder kweekkoppel brengt de eigen jongen groot. De 24 vliegkoppels worden vervolgens zo gekoppeld dat de tweede leg van de kwekers daaronder geschoven kan worden.

Daarna koppel ik de kwekers opnieuw voor een derde ronde. Als je drie rondes uit een kweker haalt, moet er naar mijn idee een bruikbare tussen zitten. Zo niet, dan komen er bij tien rondes waarschijnlijk ook geen bruikbare uit. Dat is althans mijn ervaring.

Jongen die bij het spenen niet naar mijn zin zijn, verwijder ik direct. Hun voetring gaat vervolgens naar een jong uit de vierde ronde van de allerbeste kwekers. Die vierde ronde wordt meestal eind april gespeend. Vaak zijn dat niet meer dan een twintigtal jongen van de allerbeste koppels. De rest is bestemd voor bonnen of reeds toegezegde duiven.

Ook dit jaar zaten er uit die vierde ronde enkele zeer goede jongen tussen op de laatste NPO-vluchten. Natuurlijk zijn die nog erg jong wanneer ik ze begin op te leren en valt er veel van af. Toch zaten er van die twintig uiteindelijk vier bruikbare jongen tussen.

Late jongen wil ik niet meer, niet voor mezelf en ook niet voor anderen. Houd je ze voor de kweek aan, dan ben je vaak jaren verder voordat je ontdekt dat ze toch niet geworden zijn wat je ervan verwachtte.

Voor de eventuele winterveilingen wordt er nog een extra rondje gekweekt om de hobby betaalbaar te houden. Ook daaruit wordt streng geselecteerd. Vaak blijven er een twintigtal jongen over waar ik volledig achter sta, en daarbij hanteer ik de regel: op is op.

Eigen soort behouden

Dit jaar bestaat de ploeg hoofdzakelijk uit eigen duiven, aangevuld met enkele aangekochte of samengekweekte duiven die op de kweek getest zijn en minimaal gelijkwaardig bleken aan de eigen soort.

Voor 2027 betekent dat dat er een paar zomerjongen zijn bijgehaald die me enorm aanstonden en dat twee samenkwekers hier gebleven zijn. De rest is verhuisd.

Als je duiven bijhaalt, moet je er meteen weg van zijn. En ook nadat ze enkele weken op het eigen hok zitten, moet dat gevoel er nog altijd zijn. Veel aangekochte duiven vallen dan namelijk terug en dat staat me vaak niet aan.

Ik doe altijd wel een beetje aan inteelt. Zo houd ik het soort van de Witbuik-, Dragon Rocket– en Super Rossi-lijnen al bijna dertig jaar intact. Met inteelt haal je vaak de allerbeste kwaliteiten naar boven, zeker wanneer die duiven daarna weer worden uitgekruist. Inteelt op inteelt doe ik echter niet; dan haal je gegarandeerd ook de slechtste eigenschappen naar boven.

Inteelt heeft overigens alleen zin met superieure duiven. Met gewone prijsvliegers heeft dat weinig nut. Korte inteelt, bijvoorbeeld een halfbroer tegen een halfzus, doe ik alleen wanneer duiven op leeftijd beginnen te raken. Daarna behoud ik het mooiste exemplaar. Vaak kweek ik er twee rondes uit en meestal blijft er uiteindelijk één over. Maar ook dat is zeker niet altijd een succes.

Inkorfbeperking en uiteenlopende belangen

Het NPO-bestuur staat voor een lastige keuze wat de inkorfbeperking betreft. Een poll rondsturen en vervolgens niets met de uitkomst doen, lijkt me namelijk niet zo eenvoudig.

Iedereen tevreden houden gaat niet. Aan de ene kant heb je de 95% kleinere inkorvers die een eerlijkere sport willen, aan de andere kant de 5% grote inkorvers met meer dan 100 oude en meer dan 150 jonge duiven. Beide partijen komen op voor hun eigen belangen, wat ook duidelijk naar voren kwam in de verschillende polls.

Wat mezelf betreft: ik zit er een beetje tussenin. Met 45 oude en 80 jonge duiven ben ik geen kleine inkorver, maar ook geen grote. Toch kan ik prima uit de voeten met bijvoorbeeld 30 oude vliegduiven en 60 jonge duiven als dat andere leden een beter gevoel zou geven. Dat heeft overigens niets met mijn rugklachten te maken.

Belangrijk is vooral dat er naar de leden geluisterd wordt. Een bestuur zit er immers voor de sport, haar toekomst en dus ook voor de leden.

Rui, voeding en begeleiding

De kwekers zijn inmiddels klaar met de rui en krijgen begin november hun paramyxo-prik. De vliegers moeten nog even. Ze ruien goed en pluimen mooi in; de dagelijkse Origanum Red doet duidelijk zijn werk.

Zelf geef ik al vele jaren tweemaal per week Prestavit over het voer. In het vliegseizoen is dat meestal op zaterdag en zondag, buiten het seizoen vaak op dinsdag en vrijdag.

Zoals gezegd is onze mengeling vrij vet. Hier bestaat die zelfs uit drie delen Championsmix op één deel NPO-mix. Ik heb er bewust voor gekozen die mengeling zo eiwitarm mogelijk te houden. De extra eiwitten voeg ik zelf toe wanneer de duiven die nodig hebben.

Globaal krijgen ze daarom het hele jaar door tweemaal per week Prestavit over het voer. In de zomer komt daar voor de zwaardere vluchten nog Octavit bij, waarin eveneens whey-eiwitten zitten, net als in de gevitamineerde Prestavit.

Hier zie je dan ook nooit duiven met blauw borstvlees of van die gele vetranden op het borstbeen.

Bijproducten tijdens de rui

Persoonlijk denk ik dat je duiven in de rui bijna niet te veel goede bijproducten kunt geven. Ze hebben dat nodig. Of dat nu biergist, soepgroenten of extra mineralen zijn, maakt mij niet zoveel uit.

Van de veelbesproken karnemelk of Aviol uit de jaren negentig hoor of lees je tegenwoordig weinig meer. Ik gaf dat destijds ook, maar zag al snel dat het voor mij een nutteloze toevoeging was. De drinkpotten beschimmelden snel, het product bezonk en uiteindelijk lag er een dikke laag prut op de bodem terwijl het water erboven dreef. De duiven dronken uiteindelijk alsnog alleen maar water.

Sedochol gaf ik in de jaren negentig ook al om de dag tijdens de rui. De rest van het seizoen niet meer. Sommigen gebruikten het op maandag in het vliegseizoen om de lever te ontgiften. Daar geloof ik dan weer niet in.

Alleen het allerbeste is goed genoeg om aan te houden. We kweken jaarlijks te veel duiven die het simpelweg niet in zich hebben. Ik haal ook elk jaar wel iets bij, niet omdat ik duiven tekortkom, maar omdat ik altijd op zoek ben naar uitzonderlijke kwaliteit.

Of je nu een klein hok hebt of een megahok, overal zitten te veel gewone duiven en te weinig echte toppers. Hier is dat niet anders.

In de jaren dat ik mijn aardbeienbedrijf had, wilde ik in de wintermaanden nooit meer dan zestig duiven houden: twaalf kweekkoppels en achttien vliegkoppels. Dat waren hard geselecteerde duiven.

In 2002 had ik bij de prijsuitreiking van de Gouden Cracks Jong, in een propvolle Bosbadhal, haast alle asduiven jong.

In 2006, mijn laatste jaar op het adres van mijn schoonvader, werden we in Brabant 2000, met toen nog ruim 3.500 leden, 1e, 2e, 6e, 8e en 11e asduif jong. De 1e asduif werd Rocketeer, de 2e asduif Super Girl. Ik koppelde deze twee onderling en daaruit werd Cannonball geboren. Als jong vloog hij direct top en behaalde hij onder meer een top-10-notering Nationaal Orléans.

Uit Cannonball kweekte ik later Cannonball Boy, die de snelste Nationaal Orléans won tegen 60.000 duiven.

Topduiven herken je vroeg

Uit diezelfde Rocketeer kwam ook Blue Rocket. Hij won dat jaar de 4e Nationaal/NPO Orléans en werd 3e Gouden Crack. Later gaf hij de 1e NPO Orléans bij A. Smits en werd hij ook vader van Millennium, de duivin van het Millennium-koppel.

Millennium werd vervolgens moeder van Avatar, die de 1e NPO won bij Jan in afdeling 11 en vader en grootvader werd van meerdere 1e NPO-winnaars. Ook Olympic Millennium, 1e en 2e Nationaal Asduif en Olympiadeduif, kwam uit het Millennium-koppel.

In die jaren gingen de echte topjongen direct naar de kweek. We vlogen toen nog Orléans (445 km), Bourges (520 km) en Châteauroux (567 km). De jongen die toen uitblonken, zoals Rocketeer, Super Girl, Cannonball en Blue Rocket, bleven ook later goede duiven en bewezen dat bovendien over meerdere generaties.

Louis Stabel won bijvoorbeeld in 2010 de 3e Nationaal Orléans met Esmee en bracht haar direct naar de kweek. Rond die duivin bouwde hij vervolgens een hok met uitstekende duiven op.

De echte asduiven

Naar mijn mening zijn we te soft geworden, zowel wat lossingen als afstanden betreft. Daardoor hebben we de laatste jaren een generatie duiven gekweekt die steeds minder aankan, met grote verliezen als gevolg.

Tot vorig jaar hadden we in Brabant 2000 nog een asduifkampioenschap jong over alle vluchten. Dat zijn in mijn ogen de echte asduiven: duiven die er van begin tot eind staan, vroeg vliegen van kortbij én van veraf, onder alle omstandigheden.

Dat zijn precies de duiven waar ik naar zoek en waarop je een hok kunt bouwen. Gelukkig zijn die tussenstanden nog terug te vinden op Compuclub.

In afdeling Zuidwest werden we dit seizoen 1e, 2e, 10e en 16e asduif jong, en in vlieggebied Geel 1e, 2e, 4e, 5e, 7e, 9e, 11e, 15e, 16e, 19e en 20e asduif jong. Dat zijn voor mij de allerbeste jongen van dit jaar.

Jammer genoeg kent afdeling Zuidwest wel een generaal asduifkampioenschap oud, maar geen generaal asduifkampioenschap jong.

Zo had het wat mij betreft ook bij de nationale kampioenschappen moeten zijn: alle vluchten laten tellen en de echte asduiven naar voren halen. Niet zoals bij sommige kampioenschappen waar drie goede prijzen al voldoende zijn. En al helemaal niet wanneer nalijnprijzen meetellen terwijl er ook oude duiven deelnemen. Dan kun je moeilijk nog spreken van een asduifkampioenschap voor jonge duiven.

Bouwstenen voor 2027

Dit was een uitstekende lichting jonge duiven, vergelijkbaar met de jaren 2002, 2006, 2010, 2011, 2012, 2017, 2020 en 2022. Zo’n generatie heb je eens in de zoveel jaar nodig om op hoog niveau te kunnen blijven presteren en om materiaal voor de kweek te selecteren.

Waar het precies aan ligt dat je af en toe zo’n uitzonderlijke lichting kweekt, weet ik jammer genoeg niet. Dat het veel belooft voor het seizoen 2027 weet ik echter vrijwel zeker.

Op mijn eigen hok zijn topjongen vaak ook topjaarlingen geworden. Natuurlijk verspeel je er onderweg enkele, maar B-klasse jongen worden hier zelden A-klasse jaarlingen. Als jong zijn ze immers al zwaar getest en hebben ze hun kaarten op tafel moeten leggen.

Dragon Girl werd als jong al 2e Gouden Crack en won daarna nog zes keer top 10 NPO. Haar dochter Olympic Dragon werd als jong 3e Gouden Crack en won als jaarling zeven keer top 10 NPO. Daarnaast werd ze 1e Nationaal Asduif en Olympiadeduif.

Turbo Dragon, een dochter van Olympic Dragon, won als jong een 8e NPO. Dit jaar won ze de 4e prijs in afdeling Zuidwest van Châteaudun. Haar dochter Blue Turbo Dragon werd 2e Generaal Asduif in afdeling Zuidwest, 3e asduif snelheid en won bovendien de 11e prijs in afdeling Zuidwest van Toury.

Je kunt bijna met zekerheid zeggen dat zij volgend jaar een keer top 10 in de afdeling gaat winnen.

Turbo Dragon zelf was dit jaar jaarling en komt niet meer in actie. Zij mag haar kunsten nu op de kweek laten zien, met Blue Turbo Dragon en haar nestligger als eerste wapenfeiten.

Geen geheimen in de verzorging

Wat voeding en bijproducten betreft heb ik een vast systeem dat hier al vaak genoeg beschreven is. Daar wijk ik niet van af en daardoor kan ik daar onmogelijk fouten in maken.

Ik verwarm de hokken niet. Ze zijn geïsoleerd, maar tegelijk open met gaas. Ik kan slecht tegen stof, dus voor de duiven lijkt me dat ook niet ideaal.

Ik ben goed voor mijn duiven en hou niet van overbevolking. Het ontbreekt ze aan niets, maar voor de rest worden ze hier afgehard. Wie daar niet tegen kan, ziet zijn verblijfsvergunning niet verlengd worden.